Get Adobe Flash player

Return of the pigeon

Niet zolang geleden ontving het volgende bericht van Nordin: Nordin El Familia

Salam alikoum Hafid,

De mens is net als een duif, die naar een onbekende plaats wordt gebracht door Allah. Zoals de duif haar oorsprong terug kan navigeren, zo zullen de moslims hun weg naar Allah terugvinden. De duif is een bijzonder dier want een duif kan haar weg naar huis vinden zonder de weg te kennen, subhanallah. Breng een duif geblinddoekt honderden kilometers ver naar een onbekende plaats, je zult dan zien dat de duif haar huis weer terug vindt in zelfs in 1 dag, subhanallah l3adim. De wetenschappers zijn er nog steeds niet over uit hoe dat mogelijk is, check wikipedia.

Beste Hafid, jij kunt hier vast iets moois over schrijven, een mooie vergelijking die je kunt delen met alle moslims. Dit was een gedachte die ik had, maar ik kan het niet zo mooi vertellen. Het zou dus leuk zijn als jij dat doet.” Ik moest gelijk terug denken aan Malika, het zusje van Rachid, een goede vriend van mij. Rachid en ik groeiden samen op in een dorpje midden in de provincie Utrecht, een dorpje waar waarden en normen nog hoog in het vaandel stonden en waar het grootste gedeelte van de bevolking zwaar gereformeerd was. Het was het jaar 1981 toen ons gezinnetje, bestaande uit mijn vader, mijn moeder en twee jongere zusjes, zich vestigde in Nederland. Ik was zelf negen jaar jong. Ons gezin was een van het eerste allochtone gezin in het zo zwaar gereformeerd dorpje. Wanneer mijn moeder de was deed op zondag, stonden de buren raar te kijken.

Het was zondag en zondag was de dag van de Heer. Op de dag van de Heer werkte je niet. Vier jaar later kwam Rachid bij mij in de klas. Rachid was net een paar maanden in Nederland met zijn ouders, jongere broertje en twee zusjes. Hij sprak geen Nederlands. Ik hielp hem daarbij en na schooltijd kreeg hij bijles. Rachid en ik konden het al heel snel met elkaar vinden en werden onafscheidelijk. Jaren verstreken. Halverwege de jaren negentig deden Rachid en Ik eindexamen VWO. De gemeenschap was door de jaren heen drastisch veranderd. Het dorp groeide, er kwamen steeds meer mensen van verschillende bevolkingsgroepen in het zo rustige plaatsje wonen. De kerken liepen leeg, de lokale jeugd ging niet meer naar de kerk. Die gingen op zaterdagnacht liever los in de steden buiten het dorp. In het dorp zelf was er weinig te doen op zaterdagavond. De uitgaansgelegenheden die er waren deden hun deuren om precies klokslag middernacht dicht, omdat het dan zondag was en op zondag werd er nog steeds niet gewerkt. De lokale jeugd sliep op zondag liever uit dan dat ze in de kerk zaten. Terwijl de kerken leeg liepen groeide de Islam in het zo gereformeerde dorp.

Van de gemeente kreeg de moslimgemeenschap toestemming om een Moskee te bouwen. Natuurlijk waren er protesten van de lokale bevolking die in de Islam een bedreiging zagen. Ik was blij met de Moskee. Hoefden we eindelijk niet meer zover te reizen om te bidden. Ook Rachid ging braaf mee naar de Moskee. De islam was belangrijk voor ons. Het hield ons ver weg van zondes.

Op een zomerse dag in augustus van het millennium, zat Rachid bij mij thuis op de bank. Ik was inmiddels getrouwd en mijn vrouw was in verwachting van ons eerste kindje. Rachid zat de laatste paar weken niet lekker in zijn vel. Heel snel werd me duidelijk waarom. Hij vertelde me dat Malika, zijn jongste zusje, al een tijdje van huis was weggelopen. Hij kon het niet begrijpen. Het was zijn lievelingszusje en hij had nooit wat aan haar gemerkt. Ze was net klaar met school, had een bijbaantje, was altijd op tijd thuis, ze bad vijf keer per dag en ging zo af en toe op vrijdag naar de moskee. Haar ouders hadden haar nooit iets verboden of verplicht. Rachid en zijn ouders waren er kapot van. Zijn moeder was net een zombie geworden. Ze at niet, ze dronk niet en sliep niet. Ze wisten niet waar ze was. Op de dag dat ze weg liep belde ze naar huis met de mededeling dat ze niet naar haar hoefden te zoeken en dat ze niet meer terug zou komen in hun leven. Ik had medelijden met Rachid. Ik begreep de actie van Malika ook niet. Ik kende haar goed, dacht ik! Aan het begin van de herfst sloeg het verdriet van Rachid om in haat. Hij zei dat hij haar zou vernietigen als hij haar ergens tegen zou komen. Ze had haar familie en geloof verloochend. Als hij over haar praatte dan zag je de haat in zijn ogen. Ik schrok er zelfs van. Ik wist niet dat iemand zoveel haat in zich kon hebben. Hij zou haar echt vernietigen en dat was echt wel het laatste waar ik op hoopte. Ik probeerde nog wel op hem in te praten en rustig te houden. Ze was de cel en de hel niet waard. Hij moest de bestraffing aan Allah over laten.

In november werd ik voor het eerst papa: papa van een mooie dochter met de naam Loubna. Toen ik Loubna in mijn armen vasthield dacht ik aan de ouders van Rachid. De pijn die ze hadden om hun weggelopen dochter moest onbeschrijfelijk zijn. Ik moest er niet aan denken dat mijn dochtertje op een dag uit mijn leven zou verdwijnen. Nee, dat zou ik niet kunnen overleven. Wat zou er door Malika heen gegaan zijn? Wat zou haar doen hebben besluiten om te vertrekken? Zomaar? Nee, dat kon niet! Je kon niet zomaar verdwijnen. Er moest iets gebeurd zijn, iets waarmee ze niet kon leven.

Twee jaar later, op een woensdagavond in maart, ging de deurbel. Mijn vrouw liep naar de deur om deze te openen, terwijl ik op de bank zat en naar een voetbalwedstrijd keek. Ineens stond ze daar in mijn huiskamer: Malika! Een verwesterde vrouw, 1,70m lang, kort geblondeerd haar, kort rokje, een blousje waarvan de bovenste knoopjes waarschijnlijk niet dicht konden en haar gezicht leek wel op een make-up doos. Wat een contrast! De laatste keer dat ik haar zag droeg ze een Abaya en make-up gebruikte ze niet. Eerlijk gezegd walgde ik van haar.

“Salam wa aleikoum”, zei ze en gaf me een hand. Ik groette haar terug en bood haar aan te gaan zitten. Malika ging tegenover me zitten terwijl mijn vrouw naar de keuken liep om thee te zetten. Ik keek Malika aan en zei niets. Ze durfde me niet aan te kijken. Ze staarde maar naar het laminaat dat ik afgelopen winter had geplaatst. “Hoe is het met je, Malika? “Gaat goed, Hamdoellah? En met jullie?” “Met ons ook, Hamdoellah. Wat is er met jou gebeurd, Malika? Waar heb je al die tijd gezeten? Je ouders slapen al jaren niet meer en je broer wil jou stenigen”. Mijn vrouw zette thee op tafel en schonk voor ons in en vervolgens ging ze naast Malika zitten. Malika legde haar gezicht in haar handen en begon te huilen. Mijn vrouw had medelijden met haar. Ze pakte haar beet en begon haar te troosten. Ik had geen medelijden met haar. Ik had een hekel aan haar gekregen. “Jullie moeten me helpen”, zei ze snikkend. “Ik wil terug naar mijn ouders, naar mijn familie, maar ik durf niet. Ik heb ze veel pijn gedaan. Ik wil terug naar mijn geloof. Ik wil mijn leven terug”, vervolgde ze. “Komt goed inshaAllah”, zei mijn vrouw geruststellend. Ik was daar nog niet zo zeker van. “We willen je wel helpen, Malika, maar dan moet je ons vertellen wat er gebeurd is en waarom het gebeurd is”, zei ik gedecideerd. “Ik vertel jullie alles”, zei ze terwijl ze haar ogen droogde met een zakdoekje dat mijn vrouw haar aanreikte. En toen kwam ze los.

Vol van schaamte vertelde ze ons waar ze heeft uitgehangen en waarom. Ik zal jullie niet te lang ophouden maar het kwam hier op neer. Malika werd verliefd op een oudere man. Zij was negentien en hij tien jaar ouder, een Surinamer, een charmeur die haar met mooie woorden en dure cadeautjes inpalmde. Ze ontmoette hem bij de supermarkt waar ze destijds als caissière werkte. Hij was klant en kwam vaak bij haar aan de kassa. Malika probeerde haar gevoelens te onderdrukken. Verliefd worden op een tien jaar oudere man was not done en hij was ook geen moslim. Uiteindelijk werden haar gevoelens haar de baas. Tegen haar ouders kon ze moeilijk iets zeggen. Ze zouden haar verbannen, dus vertrok ze maar zelf. Giovanni, zo heette deze man, beloofde haar zich te bekeren tot de Islam. Ze geloofde hem en vertrouwde hem. Ze wist dat ze fout bezig was, maar ze hoopte dat Giovanni zich snel zou bekeren en op een dag door haar ouders weer in de armen te worden genomen. Weken verstreken en maanden gingen voorbij, maar Giovanni had wat hij wilde en de Islam vond hij maar onzin, op een kleedje knielen vijf keer op een dag vond hij maar iets doms en vasten was een aanval op zijn mooie gespierde lichaam. Sterker nog, na een tijdje begon Giovanni gewelddadig te worden. Malika moest stoppen met alle onzin. Haar hoofddoek moest af. Ze moest zich modern kleden, mooie korte rokjes en hoge hakken aan. Bidden mocht ze ook niet meer. Ze moest zich aanpassen aan de westerse cultuur. Malika kon niet meer terug. Ze zat vast in een web waar ze niet uitkon. Dit was haar straf, zo voelde dat. Ze had haar ouders en Allah verlaten voor een gevoel dat maar tijdelijk was.

Uiteindelijk heeft Giovanni haar verlaten voor een andere Marokkaanse vrouw, die in zijn ogen niet zo saai was en van een feestje hield. Eindelijk voelde Malika zich weer vrij. Ze had spijt van alles. Het enige dat ze nog wilde was naar huis, terug naar huis, terug naar haar familie en terug naar Allah. Maar Malika durfde niet en had onze hulp daarbij nodig. Ik zag dat ze oprecht spijt had. Ik nam contact op met haar vader en nog niet met Rachid. Ik wist dat wanneer ik Rachid zou vertellen dat ze bij me was ,dat hij haar dan bij mij zou opzoeken met alle gevolgen van dien. Dat wilde ik niet! We hadden afgesproken om de volgende dag met Malika langs te komen. Wat toen ook gebeurde. Malika was behoorlijk gespannen toen we de auto voor het huis van haar ouders parkeerden en uitstapten. Ze had ondertussen een gedaantewisseling ondergaan. Haar westerse look had ze vervangen door een islamitische look. Haar vader deed open. Ze vielen elkaar in de armen en jankten erop los. Vervolgens pakte haar moeder haar in de armen, terwijl haar vader zijn tranen droogde. Ze begeleidden hun dochter naar de woonkamer, waar ze naast elkaar gingen zitten op de bank met Malika tussen hen in. Ze waren zielsgelukkig dat ze weer thuis was.

Aan het eind van de middag ben ik op bezoek gegaan bij Rachid. Net als ik was Rachid ook getrouwd en had een dochter van drie jaar. Rachid woonde niet meer in het dorp, maar in de grote stad. Niet zover van het dorp vandaan, tien minuten met de auto. We zaten aan een kopje koffie toen ik hem vertelde over de terugkeer van Malika. Rachid was woest op mij en zijn ouders. Ik had naar zijn mening haar nooit binnen moeten laten en nooit terug moeten brengen naar zijn ouders. Ik had hem verraden. Maar wat had ik moeten doen? Zij toonde berouw. Ze wilde een nieuwe kans. “We zijn moslims, Rachid”, zei ik geïrriteerd. “Wat voor moslim ben je als je een afvallige helpt?” “Ze is geen afvallige, antwoordde ik. Ze heeft fouten gemaakt en berouw getoond. Allah wil dat we elkaar helpen het juiste pad te vinden en daarop te blijven. Ze schaamt zich voor wat ze gedaan heeft. Ze wil een nieuwe kans en wie zijn wij om haar die niet te geven?” Het was alsof ik tegen een muur praatte. Het had geen zin. Hij maakte alleen maar verwijten en over zijn ouders had hij ook geen goed woord. Het waren in zijn ogen lafaards. Hoe durfden ze haar terug te nemen nadat ze hen zoveel verdriet had aangedaan? Ik heb Rachid maar gelaten in de hoop dat hij van mening zou veranderen maar helaas verbrak hij het contact met mij en zijn ouders. Hij wilde niets meer met ons te maken hebben. Malika pakte haar geloof weer op en werd een paar jaar later lerares op een Islamitische school. “En volg niet de begeerte, want die zal jou doen afdwalen van de Weg van Allah.” [Soerah 38: vers 26]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Like onze pagina
Geest en kennis van de schrijver blijven in zijn boeken bewaard, veilig voor de ongunst der tijden en in staat om steeds te herleven.